De lichaamsdelen van de vis waaraan de glochidiën zich vasthechten, verschillen per mosselgeslacht. Er zijn kieuwparasieten, vinparasieten en overgangsvormen. Sommige glochidiënsoorten kunnen zich ook aan de huid van de vis verankeren. De rivierparelmossel is een zuivere kieuwparasiet. Na een tijdspanne die per mosselsoort varieert, ontwikkelen de aanvankelijk zeer eenvoudig gebouwde glochidiën zich tot jonge mosselen. Bij de rivierparelmossel kan deze ontwikkeling tussen 1 en 10 maanden duren. Wanneer de glochidiën het moederdier verlaten, zijn ze 0,04 – 0,07 mm lang. Ze groeien op de vis en laten los wanneer ze een schelplengte van 0,4 – 0,7 mm hebben bereikt.
In plaats van de eerder aanwezige twee kleppen en één sluitspier, hebben de jonge mosselen nu alle organen van een volwassen mossel ontwikkeld – waaronder twee sluitspieren, een hart, twee paar kieuwen, een darmkanaal en een beweegbare voet. Na het loslaten van de vis graven de jonge mosselen zich ongeveer vijf jaar in de bodem van de beek in. Ze zijn daarbij afhankelijk van een voldoende doorstroming van het interstitieel sediment. De levenswijze van de jonge mosselen is tot op heden nog onvoldoende onderzocht, hoewel dit stadium wordt beschouwd als het meest kwetsbare in de ontwikkelingscyclus van de rivierparelmossel.
Vindt een glochidium binnen enkele dagen geen geschikte gastheer, dan sterft het af. Glochidiën zijn onbeweeglijk en dus weerloos tegenover hun omgeving. Als ongeveer 2 cm grote jonge mossel keren ze terug naar het oppervlak van de beekbodem en reageren dan uiterst gevoelig op de waterkwaliteit.